Erik De Bom

Blog

Een Europees basisinkomen: een realistische utopie?

[Eerder verschenen op tijd.be, 29 oktober 2013]

Niet alleen Peter De Keyzer pleit voor een basisinkomen voor iedereen, ook op Europees niveau wordt het idee geopperd om zo een hechter Europa te creëren. Maar wie een hechter Europa wil, ontsnapt niet aan de vraag welke vorm dat moet aannemen. Hoog tijd dat de discussie ten gronde gevoerd wordt.

Vorige week bracht Peter De Keyzer, hoofdeconoom bij BNP Paribas Fortis, het basisinkomen opnieuw ter sprake. In zijn nieuwe boek houdt hij een pleidooi om zo’n basisinkomen in combinatie met een vlaktaks in te voeren in België ter vervanging van het fiscale systeem. Dat zou een radicale omslag betekenen. Maar voor velen is dat niet wenselijk: waarom de Belgische sociale zekerheid zonder meer opgeven, terwijl het een instrument is dat op veel manieren kan worden ingezet?

Ook op Europees niveau wordt het idee van een basisinkomen geopperd. En dat biedt wel een aantal voordelen: ten eerste zou de autonomie van de Belgische sociale zekerheid bewaard blijven. Ten tweede zou Europa met het basisinkomen een sterk signaal geven als (h)echte politieke en sociale unie. En ten derde zou het basisinkomen een fundament zijn voor een rechtvaardig(er) Europa.

Maar de uitbouw van een sterker Europa stuit velen tegen de borst. Met de huidige crisis werden stilzwijgend een aantal bevoegdheden overgeheveld van het nationale naar het Europese niveau zonder dat ze opnieuw aan enige directe democratische controle werden onderworpen. De staatshoofden en regeringsleiders hebben de touwtjes in handen. Ook al zijn ze zich ervan bewust dat een sterker Europa de enige uitweg uit de crisis is, de recepten die ze voorschrijven zijn bij voorkeur gebaseerd op een intergouvernementele samenwerking. Op die manier behouden ze zo veel mogelijk soevereiniteit. Maar intussen neemt de burger het niet langer dat bevoegdheden worden onttrokken aan zijn nationale parlement. Laat staan dat hij daar verder geen enkele directe zeggenschap meer over heeft.

Staten en burgers

De uitbouw van een sociaal Europa moet dus rekening houden met de lidstaten en de EU-burgers. Nu heeft de EU het principe van de subsidiariteit altijd hoog in het vaandel gedragen. Dus werd er steevast gekozen om indien mogelijk het beleid uit te voeren op het laagste, meest gedecentraliseerde niveau. Dat heeft het voordeel dat het beleid direct is toegesneden op de noden van de bevolking en ruimte laat voor diversiteit. Bovendien biedt subsidiariteit voor sociaal beleid een extra voordeel, namelijk dat de bevolking homogener is waardoor een genereuzere herverdeling politiek mogelijk wordt. En dus zou Europa zich idealiter zo weinig mogelijk met sociale herverdeling bezig moeten houden.

Uit de praktijk blijkt dat dat principe niet werkt, zoals onder meer al herhaaldelijk is benadrukt door intellectuelen als Philippe Van Parijs. Kijk naar de Verenigde Staten en u zal tot de vaststelling komen dat de meest uitgebouwde vormen van herverdeling niet plaatsvinden binnen, maar tussen de staten. Burgers vertonen er een grotere bereidheid om in geval van economische terugval te emigreren van minder welvarende staten naar meer welvarende. Bovendien wordt een daling van het bruto binnenlands product van een van de staten automatisch gecompenseerd door een toename van de transfers. Die mechanismen zijn in de EU amper ontwikkeld. Om een voorbeeld te geven: ongeveer 2,2 procent van de Amerikaanse bevolking verhuist binnen een jaar van de ene naar de andere staat, terwijl dat in Europa amper 0,3 procent bedraagt. Natuurlijk is die vorm van compensatie voor de EU veel minder vanzelfsprekend, al was het maar wegens de taalkundige barrières.

Basisinkomen

Een Europees basisinkomen kan op dit punt een goede uitweg bieden. Aangezien een toegenomen migratie tussen de EU-lidstaten niet meteen mogelijk is, en de uitbouw van interstatelijke solidariteit nog minder vanzelfsprekend is en waarschijnlijk ook niet wenselijk. De EU-lidstaten houden immers al te zeer vast aan hun soevereiniteit om zo’n genereus interstatelijk mechanisme op te richten. Bovendien zijn de inrichting en financiering van de verschillende sociale programma’s van de lidstaten te verschillend om te komen tot een eengemaakte Europese welvaartsstaat. Individuele staten kunnen beter oordelen over de reikwijdte, de aard en het doel van specifieke sociale programma’s.

De invoering van een Europees basisinkomen zou de verschillende nationale welvaartsstaten intact laten. Een dergelijk inkomen hoeft niet in elk land hetzelfde te zijn (je kan rekening houden met koopkrachtverschillen), en kan door de regeringen naar believen worden aangevuld. De soevereiniteit van de lidstaten wordt daarmee niet aangetast. En de burgers doen een groot voordeel omdat het bescherming biedt die bovendien recht doet aan het subsidiariteitsprincipe. Uiteraard zal nog een stevig debat gevoerd moeten worden, onder meer over de financiering van dat basisinkomen (bv. via een tobintaks of CO2-belasting). Maar een nieuw institutioneel verdrag is niet nodig. En het zou zeker een verdieping van het beleid betekenen. Op die manier zou een Europees basisinkomen een extra dimensie geven aan de bestaande nationale socialezekerheidsstelsels én een basispijler kunnen zijn van een hecht, solidair Europa.

Rechtvaardig Europa

Belangrijker nog dan het concrete voorstel om een basisinkomen in te voeren op Europees niveau, is nadenken over mogelijke alternatieven voor een rechtvaardige EU. Wie een hecht(er) Europa wil, ontsnapt niet aan de vraag welke vorm dat moet aannemen. Het wordt de hoogste tijd die discussie ten gronde te voeren. Het zou ons verplichten na te denken over wat voor soort EU we willen uitbouwen. En het zou een welkome bijdrage zijn voor een rechtvaardiger wereld tout court. Geen geringe uitdaging.

Erik De Bom